Vervoeging van afmartelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afmartelen
to torture to an intense degree
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)martel af
Verleden tijd (ik)martelde af
Voltooid deelwoordafgemarteld
Volledige vervoeging van het werkwoord afmartelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik martel af
jij martelt af (inversie: martel af jij)
u martelt af
hij/zij/het martelt af
wij martelen af
jullie martelen af
zij martelen af

Verleden tijd

ik martelde af
jij martelde af
u martelde af
hij/zij/het martelde af
wij martelden af
jullie martelden af
zij martelden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afmartel
(dat) jij afmartelt
(dat) u afmartelt
(dat) hij/zij/het afmartelt
(dat) wij afmartelen
(dat) jullie afmartelen
(dat) zij afmartelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afmartelde
(dat) jij afmartelde
(dat) u afmartelde
(dat) hij/zij/het afmartelde
(dat) wij afmartelden
(dat) jullie afmartelden
(dat) zij afmartelden

Gebiedende wijs

Imperatief

martel af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afmartelen

Gerundium

afmartelen

Onvoltooid deelwoord

afmartelend

Voltooid deelwoord

afgemarteld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.