to relieve, to free from a position or post (e.g. by taking someone's place)
Tegenwoordige tijd (ik)los af
Verleden tijd (ik)loste af
Voltooid deelwoordafgelost
Volledige vervoeging van het werkwoord aflossen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik los af
jij lost af (inversie: los af jij)
u lost af
hij/zij/het lost af
wij lossen af
jullie lossen af
zij lossen af
Verleden tijd
ik loste af
jij loste af
u loste af
hij/zij/het loste af
wij losten af
jullie losten af
zij losten af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aflos
(dat) jij aflost
(dat) u aflost
(dat) hij/zij/het aflost
(dat) wij aflossen
(dat) jullie aflossen
(dat) zij aflossen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik afloste
(dat) jij afloste
(dat) u afloste
(dat) hij/zij/het afloste
(dat) wij aflosten
(dat) jullie aflosten
(dat) zij aflosten
Gebiedende wijs
Imperatief
los af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aflossen
Gerundium
aflossen
Onvoltooid deelwoord
aflossend
Voltooid deelwoord
afgelost
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.