Vervoeging van aflopen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aflopen
to walk down
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)loop af
Verleden tijd (ik)liep af
Voltooid deelwoordafgelopen
Volledige vervoeging van het werkwoord aflopen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik loop af
jij loopt af (inversie: loop af jij)
u loopt af
hij/zij/het loopt af
wij lopen af
jullie lopen af
zij lopen af

Verleden tijd

ik liep af
jij liep af
u liep af
hij/zij/het liep af
wij liepen af
jullie liepen af
zij liepen af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afloop
(dat) jij afloopt
(dat) u afloopt
(dat) hij/zij/het afloopt
(dat) wij aflopen
(dat) jullie aflopen
(dat) zij aflopen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afliep
(dat) jij afliep
(dat) u afliep
(dat) hij/zij/het afliep
(dat) wij afliepen
(dat) jullie afliepen
(dat) zij afliepen

Gebiedende wijs

Imperatief

loop af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aflopen

Gerundium

aflopen

Onvoltooid deelwoord

aflopend

Voltooid deelwoord

afgelopen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.