Vervoeging van afleren

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afleren
to unlearn
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)leer af
Verleden tijd (ik)leerde af
Voltooid deelwoordafgeleerd
Volledige vervoeging van het werkwoord afleren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik leer af
jij leert af (inversie: leer af jij)
u leert af
hij/zij/het leert af
wij leren af
jullie leren af
zij leren af

Verleden tijd

ik leerde af
jij leerde af
u leerde af
hij/zij/het leerde af
wij leerden af
jullie leerden af
zij leerden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afleer
(dat) jij afleert
(dat) u afleert
(dat) hij/zij/het afleert
(dat) wij afleren
(dat) jullie afleren
(dat) zij afleren

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afleerde
(dat) jij afleerde
(dat) u afleerde
(dat) hij/zij/het afleerde
(dat) wij afleerden
(dat) jullie afleerden
(dat) zij afleerden

Gebiedende wijs

Imperatief

leer af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afleren

Gerundium

afleren

Onvoltooid deelwoord

aflerend

Voltooid deelwoord

afgeleerd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.