Vervoeging van afkoersen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afkoersen
to set course
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)koers af
Verleden tijd (ik)koerste af
Voltooid deelwoordafgekoerst
Volledige vervoeging van het werkwoord afkoersen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik koers af
jij koerst af (inversie: koers af jij)
u koerst af
hij/zij/het koerst af
wij koersen af
jullie koersen af
zij koersen af

Verleden tijd

ik koerste af
jij koerste af
u koerste af
hij/zij/het koerste af
wij koersten af
jullie koersten af
zij koersten af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afkoers
(dat) jij afkoerst
(dat) u afkoerst
(dat) hij/zij/het afkoerst
(dat) wij afkoersen
(dat) jullie afkoersen
(dat) zij afkoersen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afkoerste
(dat) jij afkoerste
(dat) u afkoerste
(dat) hij/zij/het afkoerste
(dat) wij afkoersten
(dat) jullie afkoersten
(dat) zij afkoersten

Gebiedende wijs

Imperatief

koers af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afkoersen

Gerundium

afkoersen

Onvoltooid deelwoord

afkoersend

Voltooid deelwoord

afgekoerst

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.