Vervoeging van afkanselen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afkanselen
to lecture, to berate, to sermonise
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)kansel af
Verleden tijd (ik)kanselde af
Voltooid deelwoordafgekanseld
Volledige vervoeging van het werkwoord afkanselen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik kansel af
jij kanselt af (inversie: kansel af jij)
u kanselt af
hij/zij/het kanselt af
wij kanselen af
jullie kanselen af
zij kanselen af

Verleden tijd

ik kanselde af
jij kanselde af
u kanselde af
hij/zij/het kanselde af
wij kanselden af
jullie kanselden af
zij kanselden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afkansel
(dat) jij afkanselt
(dat) u afkanselt
(dat) hij/zij/het afkanselt
(dat) wij afkanselen
(dat) jullie afkanselen
(dat) zij afkanselen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afkanselde
(dat) jij afkanselde
(dat) u afkanselde
(dat) hij/zij/het afkanselde
(dat) wij afkanselden
(dat) jullie afkanselden
(dat) zij afkanselden

Gebiedende wijs

Imperatief

kansel af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afkanselen

Gerundium

afkanselen

Onvoltooid deelwoord

afkanselend

Voltooid deelwoord

afgekanseld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.