Vervoeging van afdekken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afdekken
to cover
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)dek af
Verleden tijd (ik)dekte af
Voltooid deelwoordafgedekt
Volledige vervoeging van het werkwoord afdekken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik dek af
jij dekt af (inversie: dek af jij)
u dekt af
hij/zij/het dekt af
wij dekken af
jullie dekken af
zij dekken af

Verleden tijd

ik dekte af
jij dekte af
u dekte af
hij/zij/het dekte af
wij dekten af
jullie dekten af
zij dekten af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afdek
(dat) jij afdekt
(dat) u afdekt
(dat) hij/zij/het afdekt
(dat) wij afdekken
(dat) jullie afdekken
(dat) zij afdekken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afdekte
(dat) jij afdekte
(dat) u afdekte
(dat) hij/zij/het afdekte
(dat) wij afdekten
(dat) jullie afdekten
(dat) zij afdekten

Gebiedende wijs

Imperatief

dek af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afdekken

Gerundium

afdekken

Onvoltooid deelwoord

afdekkend

Voltooid deelwoord

afgedekt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.