Vervoeging van afbouwen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afbouwen
to finish building
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)bouw af
Verleden tijd (ik)bouwde af
Voltooid deelwoordafgebouwd
Volledige vervoeging van het werkwoord afbouwen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik bouw af
jij bouwt af (inversie: bouw af jij)
u bouwt af
hij/zij/het bouwt af
wij bouwen af
jullie bouwen af
zij bouwen af

Verleden tijd

ik bouwde af
jij bouwde af
u bouwde af
hij/zij/het bouwde af
wij bouwden af
jullie bouwden af
zij bouwden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afbouw
(dat) jij afbouwt
(dat) u afbouwt
(dat) hij/zij/het afbouwt
(dat) wij afbouwen
(dat) jullie afbouwen
(dat) zij afbouwen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afbouwde
(dat) jij afbouwde
(dat) u afbouwde
(dat) hij/zij/het afbouwde
(dat) wij afbouwden
(dat) jullie afbouwden
(dat) zij afbouwden

Gebiedende wijs

Imperatief

bouw af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afbouwen

Gerundium

afbouwen

Onvoltooid deelwoord

afbouwend

Voltooid deelwoord

afgebouwd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.