Vervoeging van afbijten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afbijten
to bite off
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)bijt af
Verleden tijd (ik)beet af
Voltooid deelwoordafgebeten
Volledige vervoeging van het werkwoord afbijten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik bijt af
jij bijt af
u bijt af
hij/zij/het bijt af
wij bijten af
jullie bijten af
zij bijten af

Verleden tijd

ik beet af
jij beet af
u beet af
hij/zij/het beet af
wij beten af
jullie beten af
zij beten af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afbijt
(dat) jij afbijt
(dat) u afbijt
(dat) hij/zij/het afbijt
(dat) wij afbijten
(dat) jullie afbijten
(dat) zij afbijten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afbeet
(dat) jij afbeet
(dat) u afbeet
(dat) hij/zij/het afbeet
(dat) wij afbeten
(dat) jullie afbeten
(dat) zij afbeten

Gebiedende wijs

Imperatief

bijt af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afbijten

Gerundium

afbijten

Onvoltooid deelwoord

afbijtend

Voltooid deelwoord

afgebeten

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.