Vervoeging van afbedelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afbedelen
to beg (implying that something is acquired)
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)bedel af
Verleden tijd (ik)bedelde af
Voltooid deelwoordafgebedeld
Volledige vervoeging van het werkwoord afbedelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik bedel af
jij bedelt af (inversie: bedel af jij)
u bedelt af
hij/zij/het bedelt af
wij bedelen af
jullie bedelen af
zij bedelen af

Verleden tijd

ik bedelde af
jij bedelde af
u bedelde af
hij/zij/het bedelde af
wij bedelden af
jullie bedelden af
zij bedelden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afbedel
(dat) jij afbedelt
(dat) u afbedelt
(dat) hij/zij/het afbedelt
(dat) wij afbedelen
(dat) jullie afbedelen
(dat) zij afbedelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afbedelde
(dat) jij afbedelde
(dat) u afbedelde
(dat) hij/zij/het afbedelde
(dat) wij afbedelden
(dat) jullie afbedelden
(dat) zij afbedelden

Gebiedende wijs

Imperatief

bedel af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afbedelen

Gerundium

afbedelen

Onvoltooid deelwoord

afbedelend

Voltooid deelwoord

afgebedeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.