Vervoeging van aanwerken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanwerken
to obstruct, to make an effort
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)werk aan
Verleden tijd (ik)werkte aan
Voltooid deelwoordaangewerkt
Volledige vervoeging van het werkwoord aanwerken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik werk aan
jij werkt aan (inversie: werk aan jij)
u werkt aan
hij/zij/het werkt aan
wij werken aan
jullie werken aan
zij werken aan

Verleden tijd

ik werkte aan
jij werkte aan
u werkte aan
hij/zij/het werkte aan
wij werkten aan
jullie werkten aan
zij werkten aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanwerk
(dat) jij aanwerkt
(dat) u aanwerkt
(dat) hij/zij/het aanwerkt
(dat) wij aanwerken
(dat) jullie aanwerken
(dat) zij aanwerken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanwerkte
(dat) jij aanwerkte
(dat) u aanwerkte
(dat) hij/zij/het aanwerkte
(dat) wij aanwerkten
(dat) jullie aanwerkten
(dat) zij aanwerkten

Gebiedende wijs

Imperatief

werk aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanwerken

Gerundium

aanwerken

Onvoltooid deelwoord

aanwerkend

Voltooid deelwoord

aangewerkt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.