to wax, to grow, to increase (to undergo growth)
Tegenwoordige tijd (ik)was aan
Verleden tijd (ik)wies aan
Voltooid deelwoordaangewassen
Volledige vervoeging van het werkwoord aanwassen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik was aan
jij wast aan (inversie: was aan jij)
u wast aan
hij/zij/het wast aan
wij wassen aan
jullie wassen aan
zij wassen aan
Verleden tijd
ik wies aan
jij wies aan
u wies aan
hij/zij/het wies aan
wij wiesen aan
jullie wiesen aan
zij wiesen aan
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aanwas
(dat) jij aanwast
(dat) u aanwast
(dat) hij/zij/het aanwast
(dat) wij aanwassen
(dat) jullie aanwassen
(dat) zij aanwassen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aanwies
(dat) jij aanwies
(dat) u aanwies
(dat) hij/zij/het aanwies
(dat) wij aanwiesen
(dat) jullie aanwiesen
(dat) zij aanwiesen
Gebiedende wijs
Imperatief
was aan
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aanwassen
Gerundium
aanwassen
Onvoltooid deelwoord
aanwassend
Voltooid deelwoord
aangewassen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.