Vervoeging van aanvangen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanvangen
to begin, to start, to commence
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)vang aan
Verleden tijd (ik)ving aan
Voltooid deelwoordaangevangen
Volledige vervoeging van het werkwoord aanvangen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik vang aan
jij vangt aan (inversie: vang aan jij)
u vangt aan
hij/zij/het vangt aan
wij vangen aan
jullie vangen aan
zij vangen aan

Verleden tijd

ik ving aan
jij ving aan
u ving aan
hij/zij/het ving aan
wij vingen aan
jullie vingen aan
zij vingen aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanvang
(dat) jij aanvangt
(dat) u aanvangt
(dat) hij/zij/het aanvangt
(dat) wij aanvangen
(dat) jullie aanvangen
(dat) zij aanvangen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanving
(dat) jij aanving
(dat) u aanving
(dat) hij/zij/het aanving
(dat) wij aanvingen
(dat) jullie aanvingen
(dat) zij aanvingen

Gebiedende wijs

Imperatief

vang aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanvangen

Gerundium

aanvangen

Onvoltooid deelwoord

aanvangend

Voltooid deelwoord

aangevangen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.