Vervoeging van aanspreken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanspreken
to address
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)spreek aan
Verleden tijd (ik)sprak aan
Voltooid deelwoordaangesproken
Volledige vervoeging van het werkwoord aanspreken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik spreek aan
jij spreekt aan (inversie: spreek aan jij)
u spreekt aan
hij/zij/het spreekt aan
wij spreken aan
jullie spreken aan
zij spreken aan

Verleden tijd

ik sprak aan
jij sprak aan
u sprak aan
hij/zij/het sprak aan
wij spraken aan
jullie spraken aan
zij spraken aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanspreek
(dat) jij aanspreekt
(dat) u aanspreekt
(dat) hij/zij/het aanspreekt
(dat) wij aanspreken
(dat) jullie aanspreken
(dat) zij aanspreken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aansprak
(dat) jij aansprak
(dat) u aansprak
(dat) hij/zij/het aansprak
(dat) wij aanspraken
(dat) jullie aanspraken
(dat) zij aanspraken

Gebiedende wijs

Imperatief

spreek aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanspreken

Gerundium

aanspreken

Onvoltooid deelwoord

aansprekend

Voltooid deelwoord

aangesproken

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.