Vervoeging van aanrichten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanrichten
to cause, to inflict, to wreak
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)richt aan
Verleden tijd (ik)richtte aan
Voltooid deelwoordaangericht
Volledige vervoeging van het werkwoord aanrichten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik richt aan
jij richt aan
u richt aan
hij/zij/het richt aan
wij richten aan
jullie richten aan
zij richten aan

Verleden tijd

ik richtte aan
jij richtte aan
u richtte aan
hij/zij/het richtte aan
wij richtten aan
jullie richtten aan
zij richtten aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanricht
(dat) jij aanricht
(dat) u aanricht
(dat) hij/zij/het aanricht
(dat) wij aanrichten
(dat) jullie aanrichten
(dat) zij aanrichten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanrichtte
(dat) jij aanrichtte
(dat) u aanrichtte
(dat) hij/zij/het aanrichtte
(dat) wij aanrichtten
(dat) jullie aanrichtten
(dat) zij aanrichtten

Gebiedende wijs

Imperatief

richt aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanrichten

Gerundium

aanrichten

Onvoltooid deelwoord

aanrichtend

Voltooid deelwoord

aangericht

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.