Vervoeging van aanmeren

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanmeren
to moor, to berth
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)meer aan
Verleden tijd (ik)meerde aan
Voltooid deelwoordaangemeerd
Volledige vervoeging van het werkwoord aanmeren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik meer aan
jij meert aan (inversie: meer aan jij)
u meert aan
hij/zij/het meert aan
wij meren aan
jullie meren aan
zij meren aan

Verleden tijd

ik meerde aan
jij meerde aan
u meerde aan
hij/zij/het meerde aan
wij meerden aan
jullie meerden aan
zij meerden aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanmeer
(dat) jij aanmeert
(dat) u aanmeert
(dat) hij/zij/het aanmeert
(dat) wij aanmeren
(dat) jullie aanmeren
(dat) zij aanmeren

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanmeerde
(dat) jij aanmeerde
(dat) u aanmeerde
(dat) hij/zij/het aanmeerde
(dat) wij aanmeerden
(dat) jullie aanmeerden
(dat) zij aanmeerden

Gebiedende wijs

Imperatief

meer aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanmeren

Gerundium

aanmeren

Onvoltooid deelwoord

aanmerend

Voltooid deelwoord

aangemeerd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.