Vervoeging van aanliggen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanliggen
to lie or stand against something else
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)lig aan
Verleden tijd (ik)lag aan
Voltooid deelwoordaangelegen
Volledige vervoeging van het werkwoord aanliggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik lig aan
jij ligt aan (inversie: lig aan jij)
u ligt aan
hij/zij/het ligt aan
wij liggen aan
jullie liggen aan
zij liggen aan

Verleden tijd

ik lag aan
jij lag aan
u lag aan
hij/zij/het lag aan
wij lagen aan
jullie lagen aan
zij lagen aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanlig
(dat) jij aanligt
(dat) u aanligt
(dat) hij/zij/het aanligt
(dat) wij aanliggen
(dat) jullie aanliggen
(dat) zij aanliggen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanlag
(dat) jij aanlag
(dat) u aanlag
(dat) hij/zij/het aanlag
(dat) wij aanlagen
(dat) jullie aanlagen
(dat) zij aanlagen

Gebiedende wijs

Imperatief

lig aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanliggen

Gerundium

aanliggen

Onvoltooid deelwoord

aanliggend

Voltooid deelwoord

aangelegen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.