Vervoeging van aankunnen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aankunnen
to be able to handle, to be able to take
present separable
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)kan aan
Verleden tijd (ik)kon aan
Voltooid deelwoordaangekund
Volledige vervoeging van het werkwoord aankunnen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik kan aan
jij kunt aan / kan aan / kun aan
u kunt aan / kan aan
hij/zij/het kan aan
wij kunnen aan
jullie kunnen aan
zij kunnen aan

Verleden tijd

ik kon aan
jij kon aan
u kon aan
hij/zij/het kon aan
wij konden aan
jullie konden aan
zij konden aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aankan
(dat) jij aankunt / aankan
(dat) u aankunt / aankan
(dat) hij/zij/het aankan
(dat) wij aankunnen
(dat) jullie aankunnen
(dat) zij aankunnen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aankon
(dat) jij aankon
(dat) u aankon
(dat) hij/zij/het aankon
(dat) wij aankonden
(dat) jullie aankonden
(dat) zij aankonden

Gebiedende wijs

Imperatief

kan aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aankunnen

Gerundium

aankunnen

Onvoltooid deelwoord

aankunnend

Voltooid deelwoord

aangekund

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.