to form a deposit, usually on another object; to cake up, to encrust
Tegenwoordige tijd (ik)koek aan
Verleden tijd (ik)koekte aan
Voltooid deelwoordaangekoekt
Volledige vervoeging van het werkwoord aankoeken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik koek aan
jij koekt aan (inversie: koek aan jij)
u koekt aan
hij/zij/het koekt aan
wij koeken aan
jullie koeken aan
zij koeken aan
Verleden tijd
ik koekte aan
jij koekte aan
u koekte aan
hij/zij/het koekte aan
wij koekten aan
jullie koekten aan
zij koekten aan
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aankoek
(dat) jij aankoekt
(dat) u aankoekt
(dat) hij/zij/het aankoekt
(dat) wij aankoeken
(dat) jullie aankoeken
(dat) zij aankoeken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aankoekte
(dat) jij aankoekte
(dat) u aankoekte
(dat) hij/zij/het aankoekte
(dat) wij aankoekten
(dat) jullie aankoekten
(dat) zij aankoekten
Gebiedende wijs
Imperatief
koek aan
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aankoeken
Gerundium
aankoeken
Onvoltooid deelwoord
aankoekend
Voltooid deelwoord
aangekoekt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.