Vervoeging van aankleden

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aankleden
to dress, put clothing on someone or something
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)kleed aan
Verleden tijd (ik)kleedde aan
Voltooid deelwoordaangekleed
Volledige vervoeging van het werkwoord aankleden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik kleed aan
jij kleedt aan (inversie: kleed aan jij)
u kleedt aan
hij/zij/het kleedt aan
wij kleden aan
jullie kleden aan
zij kleden aan

Verleden tijd

ik kleedde aan
jij kleedde aan
u kleedde aan
hij/zij/het kleedde aan
wij kleedden aan
jullie kleedden aan
zij kleedden aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aankleed
(dat) jij aankleedt
(dat) u aankleedt
(dat) hij/zij/het aankleedt
(dat) wij aankleden
(dat) jullie aankleden
(dat) zij aankleden

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aankleedde
(dat) jij aankleedde
(dat) u aankleedde
(dat) hij/zij/het aankleedde
(dat) wij aankleedden
(dat) jullie aankleedden
(dat) zij aankleedden

Gebiedende wijs

Imperatief

kleed aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aankleden

Gerundium

aankleden

Onvoltooid deelwoord

aankledend

Voltooid deelwoord

aangekleed

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.