2 verschillende werkwoorden « aanhoren »:
aanhoren — to listen to · aanhoren — to listen to
to listen to
Tegenwoordige tijd (ik)hoor aan
Verleden tijd (ik)hoorde aan
Voltooid deelwoordaangehoord
Volledige vervoeging van het werkwoord aanhoren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik hoor aan
jij hoort aan (inversie: hoor aan jij)
u hoort aan
hij/zij/het hoort aan
wij horen aan
jullie horen aan
zij horen aan
Verleden tijd
ik hoorde aan
jij hoorde aan
u hoorde aan
hij/zij/het hoorde aan
wij hoorden aan
jullie hoorden aan
zij hoorden aan
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aanhoor
(dat) jij aanhoort
(dat) u aanhoort
(dat) hij/zij/het aanhoort
(dat) wij aanhoren
(dat) jullie aanhoren
(dat) zij aanhoren
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aanhoorde
(dat) jij aanhoorde
(dat) u aanhoorde
(dat) hij/zij/het aanhoorde
(dat) wij aanhoorden
(dat) jullie aanhoorden
(dat) zij aanhoorden
Gebiedende wijs
Imperatief
hoor aan
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aanhoren
Gerundium
aanhoren
Onvoltooid deelwoord
aanhorend
Voltooid deelwoord
aangehoord
to listen to
Tegenwoordige tijd (ik)aanhoor
Verleden tijd (ik)aanhoorde
Voltooid deelwoordaanhoord
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik aanhoor
jij aanhoort (inversie: aanhoor jij)
u aanhoort
hij/zij/het aanhoort
wij aanhoren
jullie aanhoren
zij aanhoren
Verleden tijd
ik aanhoorde
jij aanhoorde
u aanhoorde
hij/zij/het aanhoorde
wij aanhoorden
jullie aanhoorden
zij aanhoorden
Gebiedende wijs
Imperatief
aanhoor
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aanhoren
Gerundium
aanhoren
Onvoltooid deelwoord
aanhorend
Voltooid deelwoord
aanhoord
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.