synonym of fruiten (“to fry in boiling fat, generally said of vegetables”)
Tegenwoordige tijd (ik)fruit aan
Verleden tijd (ik)fruitte aan
Voltooid deelwoordaangefruit
Volledige vervoeging van het werkwoord aanfruiten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik fruit aan
jij fruit aan
u fruit aan
hij/zij/het fruit aan
wij fruiten aan
jullie fruiten aan
zij fruiten aan
Verleden tijd
ik fruitte aan
jij fruitte aan
u fruitte aan
hij/zij/het fruitte aan
wij fruitten aan
jullie fruitten aan
zij fruitten aan
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aanfruit
(dat) jij aanfruit
(dat) u aanfruit
(dat) hij/zij/het aanfruit
(dat) wij aanfruiten
(dat) jullie aanfruiten
(dat) zij aanfruiten
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aanfruitte
(dat) jij aanfruitte
(dat) u aanfruitte
(dat) hij/zij/het aanfruitte
(dat) wij aanfruitten
(dat) jullie aanfruitten
(dat) zij aanfruitten
Gebiedende wijs
Imperatief
fruit aan
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aanfruiten
Gerundium
aanfruiten
Onvoltooid deelwoord
aanfruitend
Voltooid deelwoord
aangefruit
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.