to link together, to chain together
Tegenwoordige tijd (ik)schakel aaneen
Verleden tijd (ik)schakelde aaneen
Voltooid deelwoordaaneengeschakeld
Volledige vervoeging van het werkwoord aaneenschakelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik schakel aaneen
jij schakelt aaneen (inversie: schakel aaneen jij)
u schakelt aaneen
hij/zij/het schakelt aaneen
wij schakelen aaneen
jullie schakelen aaneen
zij schakelen aaneen
Verleden tijd
ik schakelde aaneen
jij schakelde aaneen
u schakelde aaneen
hij/zij/het schakelde aaneen
wij schakelden aaneen
jullie schakelden aaneen
zij schakelden aaneen
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aaneenschakel
(dat) jij aaneenschakelt
(dat) u aaneenschakelt
(dat) hij/zij/het aaneenschakelt
(dat) wij aaneenschakelen
(dat) jullie aaneenschakelen
(dat) zij aaneenschakelen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aaneenschakelde
(dat) jij aaneenschakelde
(dat) u aaneenschakelde
(dat) hij/zij/het aaneenschakelde
(dat) wij aaneenschakelden
(dat) jullie aaneenschakelden
(dat) zij aaneenschakelden
Gebiedende wijs
Imperatief
schakel aaneen
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aaneenschakelen
Gerundium
aaneenschakelen
Onvoltooid deelwoord
aaneenschakelend
Voltooid deelwoord
aaneengeschakeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.