Vervoeging van aanbreken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanbreken
to begin, to onset
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)breek aan
Verleden tijd (ik)brak aan
Voltooid deelwoordaangebroken
Volledige vervoeging van het werkwoord aanbreken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik breek aan
jij breekt aan (inversie: breek aan jij)
u breekt aan
hij/zij/het breekt aan
wij breken aan
jullie breken aan
zij breken aan

Verleden tijd

ik brak aan
jij brak aan
u brak aan
hij/zij/het brak aan
wij braken aan
jullie braken aan
zij braken aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanbreek
(dat) jij aanbreekt
(dat) u aanbreekt
(dat) hij/zij/het aanbreekt
(dat) wij aanbreken
(dat) jullie aanbreken
(dat) zij aanbreken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanbrak
(dat) jij aanbrak
(dat) u aanbrak
(dat) hij/zij/het aanbrak
(dat) wij aanbraken
(dat) jullie aanbraken
(dat) zij aanbraken

Gebiedende wijs

Imperatief

breek aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanbreken

Gerundium

aanbreken

Onvoltooid deelwoord

aanbrekend

Voltooid deelwoord

aangebroken

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.