Vervoeging van aanbranden

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanbranden
to burn to the pan
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)brand aan
Verleden tijd (ik)brandde aan
Voltooid deelwoordaangebrand
Volledige vervoeging van het werkwoord aanbranden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik brand aan
jij brandt aan (inversie: brand aan jij)
u brandt aan
hij/zij/het brandt aan
wij branden aan
jullie branden aan
zij branden aan

Verleden tijd

ik brandde aan
jij brandde aan
u brandde aan
hij/zij/het brandde aan
wij brandden aan
jullie brandden aan
zij brandden aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanbrand
(dat) jij aanbrandt
(dat) u aanbrandt
(dat) hij/zij/het aanbrandt
(dat) wij aanbranden
(dat) jullie aanbranden
(dat) zij aanbranden

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanbrandde
(dat) jij aanbrandde
(dat) u aanbrandde
(dat) hij/zij/het aanbrandde
(dat) wij aanbrandden
(dat) jullie aanbrandden
(dat) zij aanbrandden

Gebiedende wijs

Imperatief

brand aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanbranden

Gerundium

aanbranden

Onvoltooid deelwoord

aanbrandend

Voltooid deelwoord

aangebrand

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.