to come walking in large strides
Tegenwoordige tijd (ik)been aan
Verleden tijd (ik)beende aan
Voltooid deelwoordaangebeend
Volledige vervoeging van het werkwoord aanbenen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik been aan
jij beent aan (inversie: been aan jij)
u beent aan
hij/zij/het beent aan
wij benen aan
jullie benen aan
zij benen aan
Verleden tijd
ik beende aan
jij beende aan
u beende aan
hij/zij/het beende aan
wij beenden aan
jullie beenden aan
zij beenden aan
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aanbeen
(dat) jij aanbeent
(dat) u aanbeent
(dat) hij/zij/het aanbeent
(dat) wij aanbenen
(dat) jullie aanbenen
(dat) zij aanbenen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aanbeende
(dat) jij aanbeende
(dat) u aanbeende
(dat) hij/zij/het aanbeende
(dat) wij aanbeenden
(dat) jullie aanbeenden
(dat) zij aanbeenden
Gebiedende wijs
Imperatief
been aan
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aanbenen
Gerundium
aanbenen
Onvoltooid deelwoord
aanbenend
Voltooid deelwoord
aangebeend
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.