Vervoeging van aanbellen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

aanbellen
to ring the doorbell
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)bel aan
Verleden tijd (ik)belde aan
Voltooid deelwoordaangebeld
Volledige vervoeging van het werkwoord aanbellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik bel aan
jij belt aan (inversie: bel aan jij)
u belt aan
hij/zij/het belt aan
wij bellen aan
jullie bellen aan
zij bellen aan

Verleden tijd

ik belde aan
jij belde aan
u belde aan
hij/zij/het belde aan
wij belden aan
jullie belden aan
zij belden aan

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik aanbel
(dat) jij aanbelt
(dat) u aanbelt
(dat) hij/zij/het aanbelt
(dat) wij aanbellen
(dat) jullie aanbellen
(dat) zij aanbellen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik aanbelde
(dat) jij aanbelde
(dat) u aanbelde
(dat) hij/zij/het aanbelde
(dat) wij aanbelden
(dat) jullie aanbelden
(dat) zij aanbelden

Gebiedende wijs

Imperatief

bel aan

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

aanbellen

Gerundium

aanbellen

Onvoltooid deelwoord

aanbellend

Voltooid deelwoord

aangebeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.