to cover the roots or tubers of plants with soil, as to protect from light or cold; to earth up
Tegenwoordige tijd (ik)aard aan
Verleden tijd (ik)aardde aan
Voltooid deelwoordaangeaard
Volledige vervoeging van het werkwoord aanaarden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik aard aan
jij aardt aan (inversie: aard aan jij)
u aardt aan
hij/zij/het aardt aan
wij aarden aan
jullie aarden aan
zij aarden aan
Verleden tijd
ik aardde aan
jij aardde aan
u aardde aan
hij/zij/het aardde aan
wij aardden aan
jullie aardden aan
zij aardden aan
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aanaard
(dat) jij aanaardt
(dat) u aanaardt
(dat) hij/zij/het aanaardt
(dat) wij aanaarden
(dat) jullie aanaarden
(dat) zij aanaarden
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aanaardde
(dat) jij aanaardde
(dat) u aanaardde
(dat) hij/zij/het aanaardde
(dat) wij aanaardden
(dat) jullie aanaardden
(dat) zij aanaardden
Gebiedende wijs
Imperatief
aard aan
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aanaarden
Gerundium
aanaarden
Onvoltooid deelwoord
aanaardend
Voltooid deelwoord
aangeaard
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.